Het probleem met de interpretatie van de Schriften – en dan vooral de heilige, maar eigenlijk elk geschrift – valt nauw samen met de geschiedenis van de westerse cultuur. Een archeologisch onderzoek naar dat interpretatieprobleem – van Origenes tot Auerbach, van de Talmoed tot Benjamin – laat zien dat de interpretatie uiteindelijk een duizelingwekkende sprong impliceert die voorbij het geschrift zijn hoogtepunt bereikt. Het onderscheid tussen letterlijke betekenis en spirituele, tussen vorm en vervulling is niet alleen van toepassing op de Schrift, maar ook op het leven. Het is daarom mogelijk om naar het leven te kijken als naar een geschrift, waarbij de feiten en de gebeurtenissen waarin dat leven lijkt op te lossen de letterlijke betekenis vormen, maar waarvan de ware betekenis alleen verschijnt aan wie in staat is ze te zien als figuren van een spirituele betekenis die ontcijferd moet worden. En zoals de Schrift kan verstarren in een canon, of levend kan blijven in haar overlevering, zo kan het leven zich uitputten in een reeks onbelangrijke episodes en anekdotes, of juist zijn betekenis en waarheid vinden.
De invloedrijke Italiaanse filosoof Giorgio Agamben (1942) doceerde aan verschillende universiteiten in Italië en daarbuiten. Zijn werk is in een groot aantal talen vertaald. Bij Uitgeverij Sjibbolet zijn van Agamben eerder verschenen 'Naaktheden' (2011), 'Pilatus en Jezus' (2014) en 'Avontuur' (2016).