Het dijkhuisje waar Otto de Kat vele zomers doorbracht stond precies hoog genoeg om in de verte Slot Loevestein te kunnen zien liggen. Op zijn vijftiende reed hij erheen in de Renault Dauphine van zijn vader, over verlaten polderweggetjes waar niets of niemand te raken viel. Wanneer hij terugkeert naar het Munnikenland, het eeuwenoude gebied rond het slot langs de Waal, is alles oervertrouwd en toch zo anders. De dijken werden verbreed, de polders met de paar boerderijen werden gesloopt, Rijkswaterstaat regeerde met straffe hand.
Onderweg van de Nieuwendijk van Brakel naar Loevestein vormen de regels van ‘Het kind en ik’ richtingaanwijzers door het landschap. De Kat leerde het magistrale gedicht van Martinus Nijhoff op school uit zijn hoofd. Terwijl hij terugdenkt aan de jongen die hij toen was herstelt hij ook het geheugen van het Munnikenland: wat er zich ooit afspeelde, wie er woonde, wie eruit verdreven werd.
Het kind en ik is een oefening in oriëntatie – zowel in het landschap als in het leven. Sensitief en gloedvol laat De Kat zien hoe nauw die twee met elkaar verbonden zijn.
I have a question about the book:
'Het kind en ik - Kat, Otto de'.
Fill in the form below.
We will respond as fast as possible.
We value your privacy
We use cookies to measure traffic, improve Boekstra and let Google tailor ads to your interests. You can keep using the site either way — even if you decline. More info