Zorg voor het pleegkind is zorg voor de samenleving.
Description
Een kind zal uit huis moeten worden geplaatst als zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de gegeven ondersteuning aan het gezin onvoldoende verbetering heeft kunnen bewerkstelligen in de manier waarop de ouder zijn kind zorg en aandacht gaf. Om in die situatie effectief beleid te kunnen voeren is een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk: de kinderrechter spreekt een ondertoezichtstelling uit met daarbij een machtiging tot uithuis- en pleeggezinplaatsing. Van belang is dat kind, ouder en pleegouder niet lang in onzekerheid gelaten worden over de vraag bij wie het kind zal opgroeien.
Hiertoe is het PBM, Pedagogisch Beslis-Model voor (terugplaatsing van) pleegkinderen (0-11 jaar), ontwikkeld door dr.A.M.Weterings. Het Pedagogisch Beslis-Model houdt in: een intensief terugplaatsingstraject middels begeleid bezoek van het kind bij zijn ouder thuis, een dag per week gedurende een half jaar. Het PBM-terugplaatsings-onderzoek is in vrijwel alle zaken uitgevoerd door dezelfde ambulant hulpverleenster van de Pleegzorgaanbieder Sterk Huis in Goirle, Brabant, bij 80 pleegkinderen, hun ouders en pleegouders, in de jaren 2011 tot begin 2019.
Gebleken is dat binnen 4 à 6 maanden duidelijkheid verkregen wordt over de vraag of het kind wel of niet teruggeplaatst kan worden bij zijn ouder. De advies-rapporten (Taxatie van de Opvoedings-Situatie) zijn geschreven door een van kind, ouder en pleegouders onafhankelijke beoordelaar (dr.A.M.Weterings).
Beschreven worden ook de rol van de kinderrechter, de taak van de GI, gecertificeerde instelling voor kinderbescherming, en de taak van de Pleegzorgaanbieder.
Aan de orde komen eveneens: het ontbreken van medezeggenschap van pleegouders in het beleid inzake hun pleegkind en het ontbreken van medezeggenschap van de Pleegzorgaanbieder inzake het te voeren beleid ten behoeve van het kind en zijn ouders.
Casusbeschrijvingen verhelderen de gegeven beleidsadviezen.
Als men de bevindingen in dit boek bestudeert biedt het handvatten voor een compleet besluitvormingsproces inzake wel of geen terugplaatsing van een pleegkind bij zijn ouder in een half jaar tijd.
Dr. A.M. Weterings heeft 50 jaar onderzoek gedaan binnen de justitiële pleegzorg, onder meer met 25 jaar subsidie, ontvangen van het Kinderpostzegelfonds. Zij heeft ook, op verzoek van de advocaat van pleegouders, veelvuldig advies uitgebracht aan rechtbanken over al dan niet terugplaatsen van pleegkinderen, en is enkele keren benoemd als Bijzondere Curator (artikel 1:250 BW).
Mr. F.A. van der Reijt was 25 jaar werkzaam in de advocatuur. Van 1995-2010 was hij kinderrechter. Het belang van het kind heeft in zijn uitspraken steeds voorop gestaan. Zijn juridische kennis en ervaring als kinderrechter heeft het mogelijk gemaakt om de pedagogische bevindingen in dit boek juridische hanteerbaar te maken. Voorwoord 13
Leeswijzer 15
Hoofdstuk 1 Juridisch kader van het Pedagogisch Beslis-Model voor (terugplaatsing van) pleegkinderen van 0-11 jaar 17
1. Beschrijving van het probleem: (terugplaatsing van) pleegkinderen 17
2. Doel van het onderzoek: Pedagogisch Beslis-Model voor (terugplaatsing van) pleegkinderen van 0-11 jaar 19
3. De wenselijkheid van een kinderbeschermingsmaatregel 20
4. Het juridisch kader 20
Hoofdstuk 2 Theoretisch kader van het Pedagogisch Beslis-Model voor (terugplaatsing van) pleegkinderen van 0-11 jaar 25
1. Emotionele bestaanszekerheid voor het kind 25
2. Het belang van de vroege hersenontwikkeling bij de vorming van een gehechtheids- en opvoedingsrelatie van het kind met zijn primaire verzorger 27
3. Gevolgen van een problematische opvoedingssituatie voor het kind 29
4. Na een uithuis- en pleeggezinplaatsing: wel of geen terug plaatsing naar de ouder? 30
Hoofdstuk 3 De methode van het Pedagogisch Beslis-Model voor (terugplaatsing van) pleegkinderen van 0-11 jaar 33
1. Inhoud van de methode PBM 33
2. Basis voor een pedagogisch verantwoorde terugplaatsing van een pleegkind 36
3. Praktische opzet van het PBM-terugplaatsingstraject 37
4. Besluitvorming inzake wel of geen terugplaatsing 42
5. Voorbeelden uit de observatielijsten 43
6. Normering inzake terugplaatsing 44
7. Criteria voor ‘geen terugplaatsing’ 44
Hoofdstuk 4 Informatie over de 66 pleegkinderen in het PBMterugplaatsingsonderzoek 47
1. Stand van zaken in 2020 47
2. De weergave van gegevens 48
3. Inzet van een PBM-terugplaatsingstraject 49
4. Gegevens over de 66 pleegkinderen bij de inzet van het PBMterugplaatsingstraject 49
4.1 Inzet PBM-terugplaatsingstraject 49
4.2 Informatie van ouders over hulp aan het gezin vóór de uithuisplaatsing van het kind 49
5. Mening van ouders over het PBM-terugplaatsingstraject 52
6. Mening van pleegouders over het PBM-terugplaatsingstraject 53
7. Informatie van de pleegouders over de reacties van het kind op het PBM-traject 53
8. Samenplaatsen van broers en zusjes 55
9. Gegevens over de medewerking van de betrokken instanties 56
Hoofdstuk 5 Bevindingen uit het PBM-terug plaatsings onderzoek 59
1. Het verkrijgen van de gegevens 59
2. Criteria voor terugplaatsing van een pleegkind bij (een van) zijn ouders 60
3. Informatie van de pleegouders over het functioneren van de pleegkinderen 62
4. Zorg om de jong uit huis geplaatste kinderen 64
5. Gegevens over de omstandigheden inzake de terugplaatsingen 65
5.1 De 13 kinderen, als baby uit huis geplaatst 65
5.2 De 21 kinderen, uit huis geplaatst met 1 à 2 jaar 66
5.3 De 13 kinderen, uit huis geplaatst met 3 à 5 jaar 66
5.4 De 14 kinderen, uit huis geplaatst met 6 à 8 jaar 67
5.5 De 5 kinderen uit huis geplaatst met 9 à 11 jaar 68
6. Totaal aantal kinderen dat pedagogisch verantwoord (terug)geplaatst kon worden 68
7. Terugplaatsing bij de 11 samenwonende ouders 68
8. Informatie van de pleegouders over contacten pleegkind-ouders vóór de inzet van het PBM-terugplaatsingstraject 69
9. De betekenis van contact tussen ouder en kind na het perspectief besluit 70
10. Reflecties op de ongunstige situatie van de uit huis geplaatste kinderen 71
Hoofdstuk 6 Overige bevindingen uit het PBM-terugplaatsingsonderzoek 75
1. Inleiding 75
2. Situatie van het kind vóór en na de uithuisplaatsing 76
2.1 Aantal jaren ontvangen hulp vóór de uithuisplaatsing 76
2.2 Aantal betrokken instanties vóór de uithuisplaatsing 77
2.3 Periode tussen de uithuisplaatsing en inzet van het PBMterugplaatsingstraject 77
2.4 Overplaatsingen na de uithuisplaatsing 78
2.5 Omstandigheden van de 13 als baby uit huis geplaatste kinderen 78
2.6 Opname van moeder en kind in een tehuis (OMK) 79
2.7 Overplaatsingen 81
3. Terugval in functioneren na bezoek aan de ouder 82
4. Het samenplaatsen van broertjes en zusjes 84
5. Netwerkplaatsingen: plaatsing bij grootouders 86
6. Contacten van de pleegkinderen met hun grootouders 88
7. Vergelijking van pedagogisch wel- en niet-verantwoorde terugplaatsingen 88
8. Informatie over wel en niet pedagogisch verantwoord teruggeplaatste kinderen 90
8.1 Gegevens 90
8.2 De observaties door de ambulant hulpverlener tijdens de begeleiding van de bezoeken 91
9. Overzicht van de gegevens van de wel en niet verantwoord teruggeplaatste pleegkinderen 92
9.1 Overzicht factoren bij wel en niet pedagogisch verantwoorde terugplaatsing 92
9.2 Observaties door de ambulant hulpverlener 92
9.3 Observaties van de interacties tussen ouder en kind, door ambulant hulpverlener bij de ouder thuis 93
10. Gezagsbeëindiging en emotionele bestaanszekerheid voor pleegkinderen 94 11. Resultaten inzake emotionele bestaanszekerheid voor het kind 95
12. Nabeschouwing 96
Hoofdstuk 7 Evaluatie van de situatie van 20 kinderen na uitvoering van het PBM-terugplaatsingstraject 99 1. Inleiding 99 2. Evaluatie van de opvoedingssituatie van 3 teruggeplaatste pleegkinderen 100 3. De evaluatie van het perspectiefbesluit voor de 9 niet-verplaatste pleegkinderen 100 4. De evaluatie van de opvoedingssituatie van 8 overgeplaatste pleegkinderen 102 4.1 Redenen van overplaatsing 102 4.2 Vooruitgang in ontwikkeling bij 4 (van de 8) overgeplaatste pleegkinderen 102 4.3 Achteruitgang in de ontwikkeling van 4 (van de 8) overgeplaatste pleegkinderen 103 5. Overweging voor beleid binnen de kinderbescherming 106 6. Emotionele bestaanszekerheid blijkt van cruciaal belang te zijn voor de ontwikkeling van een kind 107 7. Bevindingen inzake de oudercontacten van de 17 pleeg kinderen 107 8. Reflecties op oudercontacten 108 Hoofdstuk 8 Perspectiefbesluit voor een pleegkind op basis van de resultaten van het PBM-terugplaatsingsonderzoek 111 1. Inleiding op de problematiek van een pleegkind 111 2. De noodzaak van een ‘gehechtheids- en opvoedingsrelatie’ voor een kind 111 3. Aard van de pleegzorg binnen het justitiële kader 112 4. De cruciale vraag is: onder welke omstandigheden is een terugplaatsing van een pleegkind mogelijk? 114 5. Voor een adequate ontwikkeling van een uit huis geplaatst kind is een gehechtheids- en opvoedingsrelatie met een pleegouder noodzakelijk 117 6. Situatie van de 13 uit huis geplaatste baby’s 117 7. De situatie van kinderen, uit huis geplaatst in de eerste 1000 dagen van hun leven 118 8. Belang van zekerheid voor het kind te weten bij welke persoon hij zal opgroeien 1199. De aanvaardbare termijn voor de beslissing inzake wel of geen terugplaatsing 119 10. Overwegingen bij het begrip ‘aanvaardbare termijn’ 121 11. De mogelijkheid van een pedagogisch verantwoorde terugplaatsing 123 12. Voorbereiding van de inzet van een intensief pedagogisch begeleid terugplaatsingstraject is nodig 124 13. Tijdstip voor een terugplaatsingstraject 125 14. Reflectie 127 Hoofdstuk 9 Pleegouders zijn van wezenlijk belang voor het welzijn van pleegkinderen 129 1. Het ontwikkelingsbelang van het pleegkind 129 2. Een kind heeft emotionele bestaanszekerheid nodig wil hij zich kunnen ontwikkelen 133 3. Samenvatting van de resultaten van het PBM-terug plaatsings - onderzoek inzake emotionele bestaanszekerheid 133 4. Family life met pleegouders geeft het pleegkind emotionele bestaanszekerheid 135 5. Family life van het pleegkind met zijn pleegouders wordt beschermd 136 6. Verschil tussen een pleeggezin en een gezinshuis 138 7. Emotionele bestaanszekerheid voor pleegkinderen wordt sinds 2015 bevorderd door twee artikelen in het BW 140 8. Informatie van pleegouders en ouders over de bezoek regeling pleegkind-ouder 142 9. Overwegingen bij bezoekregelingen van het pleegkind aan zijn ouder 143 10. Overweging: invoeren van een verkenningsfase met een kindgerichte bezoekregeling na de uithuisplaatsing 145 11. Loyaliteit tussen ouder en kind 146 12. De fase van besluitvorming over al dan niet terugplaatsen van het kind 150 13. De werkwijze van het PBM-terugplaatsingstraject geeft snel duidelijkheid 151 14. De juridische positie van pleegouders en van de pleegzorg aanbieder is zwak 151 15. Het recht van de ouder is geen opzichzelfstaand recht 155 16. Verbetering van kindgericht kinderbeschermingsbeleid is mogelijk 156 17. Versterking van de positie van pleegouders is nodig 156Hoofdstuk 10 Epiloog 159 Inleiding 159 1. Zorg voor het ontwikkelingsbelang van het kind is van wezenlijk belang voor de samenleving 159 2. Taak van de overheid: zorg voor het ontwikkelingsbelang van het kind 163 3. Ontwikkelingen binnen de kinderbescherming sinds 1995 165 4. Het terugtreden van de kinderrechter in 1995 en de veranderde positie van de gecertificeerde instelling (GI) en van de gezinsvoogd en voogd 166 4.1 Verandering van de positie van de kinderrechter 166 4.2 Gescheiden taken van de kinderrechter en de gecertificeerde instelling 167 4.3 Het recht op family life van het pleegkind 170 4.4 De kinderrechter is een ‘specifieke’ rechter 170 4.5 Probleem van het rouleersysteem voor rechters 172 4.6 De positie van de (gezins)voogd is na 1995 eveneens gewijzigd 173 5. De voogdijmaatregel 174 5.1 Taak van de voogd 174 5.2 Geen toezicht op de uitvoering van de voogdij buiten de GI 175 5.3 Zwakke rechtspositie van het pleegkind 176 6. Invoering van de Wet herziening kinderbeschermings maatregelen 178 7. De aanvaardbare termijn voor het nemen van het perspectief besluit 179 7.1 De aanvaardbare termijn 179 7.2 Wetenschappelijke onderbouwing van ‘de aanvaardbare termijn’ 180 7.3 Bevindingen in het PBM-terugplaatsingsonderzoek 183 7.4 De negatieve gevolgen van een problematische situatie tijdens de zwangerschap 184 7.5 Het onderkennen van de stappen in de ontwikkeling van het kind 185 8. Emotionele bestaanszekerheid 185 8.1 Het belang van emotionele bestaanszekerheid voor een kind 185 8.2 Evaluatie van 20 pleegkinderen inzake emotionele bestaans zekerheid 187 8.3 Bescherming van het verblijf van een kind in een pleeggezin 1889. Overwegingen bij bezoekregelingen van het pleegkind met zijn ouders 188 9.1 Informatie over het verloop van de bezoekregelingen van de pleeg kinderen met hun ouders 188 9.2 De bezoeken van het pleegkind aan zijn ouder na de uithuisplaatsing 192 10. Kindgericht terugplaatsingsbeleid 197 11. Positie van pleegouders 198 12. Rechten van pleegouders 201 12.1 Algemeen 201 12.2 Rechten van pleegouders in het Burgerlijk Wetboek 202 12.3 Rechten van pleegouders in de Jeugdwet 203 13. Aanbevelingen 204 Casussen 1. Casus Jos (3 jaar oud) 210 2. Casus Sanne (bijna 7 jaar) 221 3. Casus Nine (8 jaar oud) 227 Bijlagen 1. De validiteit van het PSI 232 2. Informatie over bezoekregelingen 234 Over de auteurs 238
I have a question about the book:
‘Rechten voor pleegkinderen - Weterings, A.M., Reijt., F.A. van de’.
Fill in the form below.
We will respond as fast as possible.